Begin september
1990- Perspectief van Esther
Als de man al opvalt, is het omdat hij er binnen het hele programma van dit hele
kennismakingscircus voor studenten in Utrecht , zo gewoon uitziet. Ergens eind
veertig schat ik hem, heel casual gekleed, zittend op een simpele stoel, meer niet.
Geen toeters en bellen die zijn handlezen een
heel exotisch tintje hadden kunnen geven.
Toch, als ik de voorspellingen voor mijn groepsgenoten hoor, moet ik wel
glimlachen.
De geijkte zinnen als ‘je gaat reizen’ en ‘ je zult een lange donkere man
ontmoeten’ en ‘ ik zie een groot gezin’ komen
toch wel vrij veel in zijn repertoire voor.
Alle meiden giechelen.
Met open vizier en licht knikkende knieën
staan we op de drempel van een nieuwe levensfase. Dit zijn onze eerste schreden
echt los van thuis, onderweg naar een toekomst als volwassenen die vol beloften
is.
“Ach”, denk ik toegeeflijk, de eenvoudige onschuld van dit geboden vermaak wel waarderend
, “laat ik voor de lol ook naar voren schuifelen en hem mijn handen tonen. Zelfs
al is dit soort waarzeggerij nou niet iets voor mij.”
Kort voor hij tegen
me begint te spreken check ik nog even bij mezelf dat een groot gezin en reizen beiden
niet erg hoog op mijn prioriteitenlijst staan . En tevreden stel ik vast dat ik
al een hele leuke lange vriend met donker haar heb. Zou hij desondanks toch
daar ook bij mij mee op de proppen komen?
Dan, geheel
onverwacht, loopt het script even helemaal uit de pas met wat ik eerder heb
gezien bij de anderen.
Hij kijkt me recht
aan, wat absoluut geen deel van de act was bij de meiden voor mij. En in die
luttele seconden van oogcontact, voel ik ergens diep in mij, ervaar ik, weet ik met een onbetwistbare zekerheid,
dat hij in grote verwarring is, geschrokken zelfs.
In plaats van de bekende vloeiende stroom luchtige zinnen, hoor ik eerst vooral
wat onduidelijk gemompel. Hoe ik zijn blik ook probeer te vangen, hij vermijdt
oogcontact nu volledig. Hij is geheel gefocust op iets wat hem blijkbaar ongemakkelijk
fascineert in mijn hand.
Wanneer hij zich
dan emotioneel heeft herpakt, vertelt hij, met een stem die ik ‘ diep bewogen’ zou
noemen, dat hij lijnen in mijn hand ziet die hij nog nooit in het echt is
tegengekomen.
Lijnen die een bijzondere rol inhouden en te maken hebben met het hergebruik
van iets…waardevols dat heel oud is.
Gen woorden die
verklaren waarom hij bijna van zijn stoel viel. Waarom heb ik toch het idee dat
hij meer weet dan hij hier, in deze setting comfortabel kan zeggen?
“Wat houdt dat
in?” probeer ik toch nog iets meer details aan hem te ontfutselen.
Terwijl de
volgende student al naar voren stapt, hoor ik hem nog zeggen:” Jij gaat je waarschijnlijk
toeleggen op het recyclen van oude dingen” Met een luchtigheid die ik alleen
kan omschrijven als ‘gezocht’ en ‘ gemaakt’ beëindigt hij de sessie met :” Misschien is
oude meubeltje opknappen of zo iets voor
jou?”
Nu ben ik verward.
Ik kan het voorval niet goed plaatsen. Zelfs met mijn nuchtere kijk op de
wereld kan ik het niet comfortabel in het rijk der goedbedoelde onzin en
vermaak stallen.
Het was nauwelijks zijn woorden die
me raakten, grepen zelfs.
Het was zijn energie, de oprechte schrik en verwarring die ik voelde, die
maakte dat het ergens op de plank van de ‘bijzondere, mogelijk significante
voorvallen’ werd bijgetekend.